Over transities
Deze tekst geeft een samenvatting van wetenschappelijke en praktische inzichten die ten grondslag liggen aan deze website.
Wat zijn transities?
Transities of systeeminnovaties zijn fundamentele veranderingen in de manier waarop de samenleving basale functies invult. Dan kunt u denken aan vervoer, voedselproductie, wonen, de energievoorziening of de zorg. Transities spelen zich af over periodes van een of twee generaties.
Een voorbeeld van een transitie is de overgang in Nederland na de wereldoorlogen van kleinschalige landbouw met gemengde bedrijven naar grootschalige, intensieve en gespecialiseerde landbouw. Die ging gepaard met rationalisering van de productie en mechanisering. Er ontstonden aparte akkerbouw- en veehouderij-bedrijven. Maar ook daarbinnen werd nog gespecialiseerd: binnen de pluimveehouderij zijn er nu bijvoorbeeld aparte bedrijven voor eierproductie en voor vleeskippen. De productie steeg enorm. En van een land dat voedseltekorten had gekend in de tweede wereldoorlog, ontwikkelde Nederland zich tot een exportland-bij-uitstek van landbouwproducten.
De wetenschappelijke literatuur zegt dat transities nieuwe dominante patronen van handelen met zich meebrengen. Maar zij benadrukt ook dat transities samengaan met veranderingen in de structuur of het ‘regime', waarbinnen die praktijken zich afspelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om dominante economische, wetenschappelijk-technologische en sociale opvattingen, om veranderingen in de (bedrijfs-)cultuur en de taakverdeling tussen de markt, overheid, wetenschap en civiele maatschappij. Maar ook de fysieke infrastructuur is onderdeel van het regime of de structuur.
De overheid stimuleerde de landbouwtransitie met regime-aanpassingen als productiesubsidies, de financiering van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en voorlichting aan boeren. Zij werkte voor het ontwikkelen van die aanpassingen nauw samen met de boerenstandsorganisaties en landbouwspecialisten in de Tweede Kamer. Dit verband werd de ‘IJzeren Driehoek' genoemd. Daarnaast was er ook nog het ‘OVO-drieluik' van Onderzoek, Voorlichting en Onderwijs. Dat speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de kennis voor de nieuwe, intensieve landbouw en de diffusie daarvan. Maar ook de handelsinfrastructuur en de fysieke structuur van de Rotterdamse haven waren belangrijk. Daardoor hadden Nederlandse boeren toegang tot goedkoop veevoer in de vorm van soja.
Duurzame ontwikkeling en transities
Ook duurzame ontwikkeling brengt een transitie of systeeminnovaties met zich mee. De socioloog Ulrich Beck geeft daarvoor een verklaring. Hij stelt dat praktijken van de moderne tijd hun langste tijd gehad hebben. Die praktijken waren gericht op vooruitgang en economische groei en gebaseerd op het principe van rationele, universeel toepasbare kennis. Door de neveneffecten van die moderne praktijken, zoals milieuvervuiling, uitputting van voorraden en klimaatverandering, staan deze principes en bijbehorende praktijken nu onder druk. De druk voor verandering onstaat omdat de neveneffecten 'politiek' worden.
Neveneffecten van de intensieve veehouderij zijn bijvoorbeeld:
- het mineralenoverschot dat samenhangt met de import van de soja
- massale uitbraken van dierziekten zoals vogelpest, MKZ en van BSE en Q-koorts met hun gevolgen voor de volksgezondheid
- de emissies van broeikasgassen door het vee
- het ontstaan van antibioticaresistente bacteriën door structureel gebruik daarvan.
Het mineralenoverschot (de mestproblematiek) is al langer gepolitiseerd. De broeikasgas emissies door vee, zijn onderwerp van beleid als gevolg van de politisering van de klimaatverandering. En de laatste tijd zijn dierziekten die volksgezondheidsproblemen opleveren en de antibioticaresistentie steeds meer onderwerp van publiek debat. Ook de bestrijding van dierziekten via ophokken en ruimen staat steeds meer ter discussie. Dat komt door de veranderende opvattingen in de samenleving over dierenwelzijn, de minder belangrijke positie van de landbouw in de samenleving en de maatschappelijke consequenties van de isolatie van besmette bedrijven in het verstedelijkte Nederland. Van alle kanten neemt dus de druk op de veehouderij om te veranderen toe.

Beck stelt verder dat de neveneffecten, zoals in het veehouderijvoorbeeld, leiden tot Reflexieve modernisering. Daarmee bedoelt hij dat er veranderingen optreden in moderne praktijken maar ook in moderne instituties (het regime). Hij noemt onder andere dat de scheidslijnen tussen verschillende wetenschappelijke disciplines of gespecialiseerde departementen vervagen. Reflexieve modernisering is daarmee in feite een transitie.
Het landbouwvoorbeeld kan dit weer illustreren. De mestproblemen in de jaren tachtig van de vorige eeuw waren belangrijk voor het ontmantelen, door de overheid, van de bestaande instituties als het OVO-drieluik en de IJzeren Driehoek. Uit de hand lopende kosten voor de EU door de landbouwsubsidies waren aanleiding tot een hervorming van het Europese subsidiebeleid.
Het Meerlagenmodel
Het meerlagenmodel is een wetenschappelijk, analytisch model van transities of systeeminnovaties. Het komt voort uit onderzoek naar technologische innovaties en vormt een belangrijke grondslag voor de aandachtspunten voor transitiewerk op deze website.

Het model (zie figuur) geeft aan dat transities tot stand komen door veranderingen in verschillende lagen. Die lagen versterken elkaar:
- Niches met innovatieve maatschappelijke, economische, technologische of beleidspraktijken, die afwijken van en afgeschermd zijn van het dominante regime
- Het regime: de structuurlaag die de context vormt van gangbare praktijk. Het gaat om praktijken, die veel en invloedrijke spelers onderschrijven
- Het landschap: grote maatschappelijke veranderingen op het gebied van politiek, cultuur en wereldbeelden (zoals globalisering en individualisering) of natuurlijke kenmerken die moeilijk te beïnvloeden zijn en meestal traag veranderen. Landschapsontwikkelingen zijn de uitkomst van ideeën en handelen van grote aantallen spelers.
Nadruk op experimenteren
Uit historisch onderzoek naar transities en technologische innovatie blijkt het belang van transitie-experimenten: nicheprojecten met de potentie bij te dragen aan (het leren over) een gewenste transitie. Daarom leggen aanbevelingen voor transitiewerk veel nadruk op experimenteren. De transitie-experimenten worden in overeenstemming met het meerlagenmodel verbonden met ontwikkelingen op het landschapsniveau en met te bewerkstelligen veranderingen in het regime .
De nadruk op experimenteren komt verder voort uit de erkenning dat bij transities sprake is van onzekere, complexe en dynamische processen. Er zijn veel uiteenlopende actoren nodig voor systeeminnovaties, uit de verschillende lagen die het meerlagenmodel onderscheidt, en vaak uit verschillende sectoren en domeinen: de civiele maatschappij (met onder andere burgers, ngo's), markt, overheid, wetenschap. Ze moeten tot nieuwe, afgestemde agenda's komen, uiteenlopende soorten kennis en vaardigheden samenbrengen en hun onderlinge relatie herzien. Maar omdat ze deels autonoom opereren, is dat niet vanzelfsprekend. Experimenten bieden in deze omstandigheden een goede mogelijkheid zoekend en al lerend te werk te gaan om nieuwe praktijken en structuren te ontwikkelen.
Aandacht voor leren
In samenhang met experimenteren is er in de literatuur veel aandacht voor leren. Daarbij onderscheiden wetenschappers:
Convergent leren en systeemleren Een systeeminnovatie kan pas plaatsvinden als betrokken actoren hun rollen en doelen in samenhang met elkaar veranderen. Dat wordt in de literatuur over transities en leren ook wel convergent of congruent leren genoemd. Daarvoor zullen de actoren ook moeten leren om structuurknelpunten niet als gegeven te zien maar als uitdaging (‘systeemleren'). Over geschikte condities voor convergent leren en systeemleren is nog maar weinig bekend; wel is duidelijk dat gevoelde urgentie en wederzijdse afhankelijkheden zulk leren bevorderen.
Eerste en tweede-orde-leren Van tweede-orde-leren is sprake als mensen hun vanzelfsprekende denkramen gaan heroverwegen. Mensen ontwikkelen die denkramen door wat ze uit hun maatschappelijk-culturele omgeving meekrijgen, door hun opleiding en werk. Het gaat om theoretische kaders, diepverankerde overtuigingen en waarden of wereldvisies. Die bepalen hoe iemand een nieuw vraagstuk ziet. Het denkraam beïnvloedt ook in belangrijke mate de oplossingen die de persoon mogelijk acht. Bij eerste-orde-leren blijven de denkramen onveranderd. Eerste-orde-leren leidt doorgaans tot beperkte veranderingen in iemands percepties en strategieën. Tweede-orde-leren schept door het veranderde denkraam ruimte voor radicalere vernieuwing, zoals dat bij systeeminnovaties aan de orde is. Zie ook voorbeelden Eerste en tweede-orde-leren.
Bovenstaande ideeën over transities, structuurvernieuwing, experimenteren en leren werken door in de vijf centrale thema's: de clusters visie vormen, plan van aanpak maken, verankeren, monitoren en evaluatie en competenties inzetten.
Visie vormen
Een aanzienlijk deel van de transitieliteratuur gaat in op het ontwikkelen van een visie of langetermijnperspectief. De langetermijnoriëntatie helpt mensen los te komen van de vanzelfsprekendheden en structuur van de korte termijn. Het langetermijnperspectief biedt zo een goed oriëntatiepunt (een ‘Leitbild)' voor systeeminnovatieve initiatieven. De literatuur benadrukt daarbij collectieve visievorming. In een gezamenlijk proces van visievorming kunnen betrokkenen namelijk leren over elkaars denkraam en kunnen ze hun diepe overtuigingen bij gaan stellen. Collectieve visievorming ondersteunt zo meer radicale in plaats van incrementele vernieuwing. Collectieve visievorming helpt ook in praktische zin, omdat het bij kan dragen aan de afstemming van agenda's en van de strategieën van de betrokkenen (convergent leren).
Plan van aanpak maken
Transities brengen altijd structuur- of regime verandering met zich mee. Er is sprake van wat Schumpeter ooit ‘creatieve destructie' noemde: nieuwe structuur verdringt de oude. Dat gaat niet zonder slag of stoot, blijkt uit onderzoek naar systeeminnovaties. Dat betekent dat u in uw plan van aanpak aandacht moet besteden aan de structuurveranderingen. Om door weerstanden heen te breken is strategisch werk nodig aan veranderingsgerichte coalities. Sommige wetenschappers bepleiten, op basis van hun inzichten over regimeweerstanden, om vernieuwing vooral buiten de gevestigde (politieke) structuren te organiseren. Maar inmiddels is duidelijk dat betrokkenheid van regimespelers ook wenselijk is, zowel vanwege legitimiteit van de ingrijpende veranderingen van transities, maar ook vanwege macht en middelen die nodig zijn voor verandering. Een plan van aanpak gaat daarom ook over het vormen van geschikte coalities voor vernieuwing, coalities waarvan de samenstelling in de loop van de tijd en naar behoefte zal veranderen.
Verankeren
De stap van experiment naar meer algemene nieuwe praktijken is niet vanzelfsprekend. Uit onderzoek blijkt een aantal oorzaken, zoals:
- De experimenten sluiten niet aan bij het bestaande regime (de informele en formele regels, routines, protocollen, kennis, cultuur, rollen en identiteit, gebruikelijke verdeling van taken tussen of binnen organisaties)
- Management ziet niet de noodzaak of urgentie om te werken aan institutionele veranderingen.
- Het veranderen van het regime buiten de organisatie gaat de mogelijkheden te boven van degenen die het initiatief hebben genomen voor het experiment. Andere mensen in andere omgevingen zouden het stokje moeten overnemen, maar gaan niet zomaar verder met uw ideeën en ervaring. Zelfs organisaties die ook wel zouden willen experimenteren, doen dat niet. Ze weten bijvoorbeeld niet hoe. Er is geen geld voor een vervolg.
- Er is ander overheidsbeleid nodig om de nieuwe praktijken op grotere schaal mogelijk te maken (zoals nieuwe subsidievoorwaarden, specifieke milieuregels, gewijzigde overheidsvoorschriften voor de zorg). Maar de overheid is daar (nog) ongevoelig voor
De kennis over wat er aan gedaan kan worden is beperkt, maar groeit. Die kennis omvat onder andere inzichten in de dynamiek van innovatiesystemen, over de noodzakelijke verbinding van vernieuwers en regimespelers en over het strategisch benutten van landschapsontwikkelingen.
Monitoren en evalueren
Eerste ervaringen met het monitoren en evalueren van systeeminnovatieve initiatieven laten zien dat doelen van die initiatieven ter discussie komen te staan. Er is behoefte aan leren om de activiteiten bij te kunnen stellen. Dat heeft te maken met de dynamische en complexe omgeving en de ingrijpende verandering van systeeminnovaties. Ook de focus van monitoren verschuift. Voor het leren en bijsturen is namelijk niet alleen informatie gewenst over geplande en ongeplande effecten van de eigen activiteiten. Maar er zijn ook netwerkanalyses nodig, informatie over niche-experimenten, over het regime en landschapsontwikkelingen. De wetenschappelijke literatuur benadrukt dat reflexive monitoren zoals het monitoren om te leren en bij te sturen, bij voorkeur een participatief proces is met betrokkenen. Het omvat de collectieve reflectie op de monitorinformatie en houdt systeemleren en tweede-orde-leren in.
Competenties inzetten
Transitiewerk is pionieren, omdat het gaat om radicale en onzekere vernieuwingen op de lange termijn. Er liggen geen blauwdrukken of protocollen klaar. Steun voor de verandering is onzeker. Dat vraagt bijzondere competenties van de mensen die transitiewerk doen. Het Competentiecentrum Transities heeft onderzoek gedaan naar de competenties, vaardigheden en rollen die nodig zijn voor transitiewerk en die gekoppeld aan de vier voorgaande thema's. Basiscompetenties bleken de competentie voor netwerken, een sterk communicatief vermogen en overtuigingskracht/vermogen om te mobiliseren. Andere specifieke competenties zijn bijvoorbeeld het vermogen tot systeemdenken, visionair vermogen en goed kunnen observeren, creatief vermogen, gevoel voor timing, kunnen verleiden.
Verder lezen
- Beck, U. (1997). De wereld als risicomaatschappij. Essays of de ecologische crisis en de politiek van vooruitgang. De Balie, Amsterdam.
- Blanken, H., A. Loeber en D.J. Joustra (2004) Veranderen is leren. Leren is veranderen. Transitiepaper 9. NIDO: Leeuwarden.
- Grin. J. (2004) De politiek van omwenteling met beleid. Vossiuspers, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam (inaugurele reden).
- Hekkert , M. en M. Ossebaard (2010). De innovatiemotor. Het versnellen van baanbrekende innovaties. Van Gorcum: Utrecht.
- Loeber, A. (2003) Inbreken in het gangbare. Transitiemanagement in de praktijk: De NIDO-benadering. NIDO: Leeuwarden
- Loeber, A., B. van Mierlo, J. Grin en C. Leeuwis (2007). ‘The Practical Value of Theory: Conceptualizing learning in pursuit of sustainable development', chapter 3 (p. 83-97) in Arjen Wals & Tore van der Ley (eds.), Social Learning towards a sustainable world. Wageningen: Wageningen UR.
- Rotmans, J. (2003). Transitiemanagement; sleutel voor een duurzame samenleving. Assen, Van Gorcum (inaugurele reden Erasmus Universiteit).
- Raven, R., S. van den Bosch en R. Weterings (2010). Transitions and strategic niche management: towards a competence kit for practitioners. Int. J. Technology Management, Vol.51 no 1, pp 57-75.
De inzichten over competenties zijn te vinden in de Competentiecahiers Competenties van Transitieprofessionals nr. 1 en nr.2 van het Competentiecentrum Transities.
Wetenschappelijke publicaties kunt u vinden op de site van het Kennisnetwerk voor SysteemInnovaties en transities. Hier vindt u de erfenis va zes jaar onderzoek in dit kennisnetwerk, van 2004 tot 2010. Andere sites met wetenschappelijke publicaties zijn http://www.transitionsnetwork.org, van het internationale Sustainability Transitions Research Network (STRN) en http://www.sustainabilitytransitions.com met informatie over een wetenschappelijke boekenreeks en blogs en tweets.